Welkom op deze site

U bevindt zich hier: Home > Inhoud > Biografie > Levensbeschrijving

Levensbeschrijving

Hieronder kunt u zijn eigen opgetekende levensbeschrijving lezen, helaas, hij heeft deze nooit afgemaakt of kunnen afmaken.

Begin van een levensbeschrijving opgeschreven door Johan Schmitz, helaas niet gedateerd. (oorspronkelijke stijl en spelling gehandhaafd – red. Evy Schmitz).

In januari 1909 trouwden mijn vader en moeder in Den Haag en gingen direct daarna naar wat toen Ned-Oost-Indië was. Mijn vader was gezagvoerder bij de Koninklijke Paketvaart Mij. Ik heb aan hem eigenlijk geen herinnering, daar hij uiteraard veel op zee was.

Ik ben geboren in Batavia (Djakarta) op 27 Dec. 1909 en was dus 4 jaar toen mijn moeder in Singapore, waar we toen woonden, bericht kreeg, dat haar man in het hospitaal van Babik-Papam overleden was aan een galsteenkoliek in november 1914.

Veel later heb ik me gerealiseerd, wat dat voor moeder moet hebben betekend. Ze bleef in een vreemd land achter met 3 kinderen, zoons van 4, 2 en 1 jaar.

De eerste wereldoorlog was net aan de gang. Er kwam een Engelse officier, die ons wilde interneren. Hij dacht dat we Duitsers waren. Duizend excuses toen hij begreep, dat we de Ned. nationaliteit hadden, maar dat we maar beter zo gauw mogelijk naar het neutrale Nederland konden vertrekken.

Van die reis (in Dec. 1914) dateren mijn eerste duidelijke herinneringen. Port –Saïd, vliegende vissen, de werkende Stromboli bij nacht en dan vooral een verduisterd station in Southhampton waar een hele groep Belgische vluchtelingen aankwam.

Daarna voeren we heel langzaam door mijnenvelden naar Nederland waar we de eerste tijd een gastvrij thuis vonden bij opa en oma v.d. Haar op het Prins Hendrikplein te Den Haag.

Ze woonden boven het postkantoor, waarvan opa directeur was. Het was naast de Olympia-bioscoop.

Een tijdje later gingen we, moeder en de 3 zonen, wonen in de van Speykstraat 119. Ik was aan boord 5 jaar geworden en ging nu op de Groen van Prinsteren-school (met de Bijbel) in de v.d. Spiegelstraat, vandaar liep een steegje naar de school, een groot gebouw. De 1e klas was beneden vlak naast de ingang en werd gerund door een onderwijzer, daarachter de 2e, enz. Aan de overkant van de gang begon het met de leerarenkamer, daar zat het hoofd (als hij geen les gaf). Tot en met de 33 klas was beneden, samen met het gymnastieklokaal. De hoogste klassen waren boven t/m de 7e (tegenwoordig de brugklas). Ik heb ze allen met goed gevolg doorlopen. In de 7e werd ik met hulp van de hoofdonderwijzer, mr. Berkhouwer, een aardige man, klaargestoomd voor de 2e klas H.B.S.

Ik was de enige die daarvoor slaagde. Toen was ik dus 12 jaar en ging naar de H.B.S. op de Stadhouderslaan, tegenover het tegenwoordige Gemeentemuseum. Daar hadden we toen onze schooltuintjes.

Van die lagere schooltijd herinner ik me niet zoveel meer.

In de 3e of 4e klas speelde een leraar met ons viool als we moesten zingen. Dat vond ik prachtig. Hij heette Snoek. Toen ik later mijn collega Jacques Snoek leerde kennen, bleek, dat het zijn oudste broer was, die toen leeraar aan de middelbare school was.

Ik logeerde in die tijd eens een weekje bij een nogal wufte tante in Den Haag. Ze had allerlei heerlijke parfums op haar toilettafel staan.

Ze werkte op een of ander kantoor en toen ze op een morgen vroeg weg was, was de verleiding erg groot om eens te kijken wat er in die flaconnetjes zat. Ik maakte er een open, rook er aan en wilde wat op mijn haar doen van de bedwelmende inhoud. Het flesje schoot een beetje uit en de halve inhoud kwam op mijn hoofd. Ik schrok me een ongeluk. Ik moest over een kwartiertje naar die school (met de Bijbel!), waar ze beslist niet van dergelijke luchtjes gediend waren. Ik maakte mijn haar kletsnat, maar kon de lucht maar niet wegkrijgen.

Nu zat ik in die klas een beetje achteraan, dicht bij een fonteintje met zeep. Toen de onderwijzer in mijn buurt kwam werd hij natuurlijk de reuk gewaar.

Ik zat ‘m ontzettend te knijpen. Na veel in ’t rond snuffelen ontdekte hij de zeep, waarvan hij gelukkig zei, dat het dat was. Wat was dat een enorme verandering toen ik op de H.B.S. kwam. Met mijn nogal rebelse aard had ik op die lagere school altijd een zekere druk ondervonden en veel strafregels moeten schrijven. Honderd keer “ik mag niet dit…, ik mag niet dat…”.

En nu op die H.B.S. werd ik ineens veel meer aan mezelf overgelaten, wat je een gevoel van vrijheid gaf. Het bleek dat ik een uitblinker was wat gymnastiek betreft en mocht ik van de gymleraar Chavannes Vrucht (Sjeffie) zelf veel vóór werken. De aardrijkskunde-leeraar Laterveer (Späterveder) leidde het schoolorkest, een bijna volledig symphonie-orkest.

Ik werd met 1½ jaar vioolles ingelijfd als altist, tot grote woede van mijn eminente vioolleraar Dick Waleson. Wat die vioollessen betreft, dit is een rage geworden. Ik had van mijn 5e tot mijn 7e pianolessen gehad van een stijve pianolerares, een vriendin van mijn moeder. Ik vond het vreeselijk. Ze kon waarschijnlijk geen les geven.

We moesten almaar toonladders spelen. We, mijn broer Bernard, kreeg nl. ook les.

Toen ik na die 5 jaar geen les meer had, omdat ik zgn. op de grote school te veel huiswerk had, waagde ik me aan alles wat me maar interesseerde, sonates van Mozart, Beethoven, Chopin’s Walzen en Preludes, enz.

Van een neefje hoorden we, dat hij vioolles had van een goeie leeraar. Mijn moeder zei, dat er op zolder nog een viool lag, die mijn vader gebruikt had. Toen kreeg ik er ook wel zin in. Waleson kwam, zei dat het een aardige “studie-viool” was en wou me wel les geven. En dat kreeg me langzamerhand helemaal te pakken. Als ik even een gaatje tijd had, studeerde ik, zelfs in de winter in onverwarmde keukens.

We waren in die tijd van de Obrechtstraat in Den Haag verhuisd naar de Thomsonlaan. Daar kwam mijn broer Ben weer in huis. Een oudere neef van ons, die voor arts studeerde, had ontdekt dat hij, Ben, een T.B.C.-aandoening in de lymfklieren had en had gezorgd, dat hij bij zijn ouders in Veen (N.Br.) waar zijn vader een dokterspraktijk met apotheek had, onder behandeling kwam. Ben is daar een 1½ jaar geweest en moest veel in de buitenlucht zijn. Hij ging daar bij veel families op bezoek en leerde zodoende behoorlijk Veens.

Toen hij daarna weer thuiskwam en mij op de viool hoorde, kreeg hij ook zin en dus begon hij ook bij Waleson die dus bij ons aan huis kwam, want Ben moest nog veel het bed houden.

Een jaar daarna verhuisden wij voor hem naar Kijkduin, waar hij in een draaibare tent in de tuin lag (zoveel mogelijk). Hij had natuurlijk veel tijd en ging met rasse schreden vooruit. Hij kreeg privéles van een leeraar in de belangrijkste schoollessen…...

« vorige  |   top  |   volgende »

Powered by CMSimple | Template by CMSimple | Login